“Als ik patiënten uitleg waarom vitiligo optreedt, zeg ik vaak dat het immuunsysteem zich vergist”, zegt Arno. “Hiermee maak ik duidelijk voor hen dat vitiligo een auto-immuunziekte is. Normaal gesproken beschermen de T-cellen van het immuunsysteem het lichaam tegen vijandelijke eiwitten, maar in dit geval richten ze zich juist op de lichaamseigen eiwitten. Vitiligo kan op elke leeftijd ontstaan. Vaak begint de aandoening al op kinderleeftijd, in de tienerjaren of op jongvolwassen leeftijd; ongeveer de helft van de patiënten ontwikkelt de eerste vlekken vóór de leeftijd van twintig jaar. Maar ook bij volwassenen en ouderen kan vitiligo voor het eerst optreden.”
Combinatie met andere ziekten
Vitiligo komt vaak voor in combinatie met andere auto-immuunziekten. “In veel gevallen gaat het hierbij om schildklierziekten”, zegt Arno. “Over de vraag waarom dit gebeurt, bestaat nog onduidelijkheid. Maar er is wel een hypothese: dat bij vitiligo sprake is van eiwitten die lijken op de eiwitten bij of op de schildklier, zodat beide worden aangevallen.”
Andere aandoeningen worden eveneens vaker gezien bij mensen met vitiligo, waaronder diabetes type 1, pernicieuze anemie/vitamine B12-deficiëntie, reumatische auto-immuunziekten, alopecia areata, lichen planus en soms ook andere inflammatoire aandoeningen zoals psoriasis of atopische ziekten. “Sowieso is er een verhoogd risico om bij vitiligo een tweede of derde auto-immuunziekte te ontwikkelen. Er is sprake van een genetische component. Naast genetische aanleg kunnen ook omgevings- en leefstijlfactoren, zoals stress, roken, slaaptekort of een ingrijpende levensgebeurtenis, mogelijk invloed hebben op het ontstaan of opflakkeren van auto-immuunziekten. Het gaat daarbij meestal om een samenspel van factoren, niet om één duidelijke oorzaak.”
Opties voor behandeling
Lokale behandelingen, zoals corticosteroïdcrèmes en calcineurineremmers, vormen vaak de eerste stap. Vooral voor het gezicht worden calcineurineremmers vaak gebruikt, om langdurig gebruik van corticosteroïden te beperken. Bij uitgebreidere of actieve vitiligo is smalspectrum UVB-lichttherapie een belangrijke behandeling, vaak in combinatie met lokale therapie. Een nieuwere behandeloptie voor niet-segmentale vitiligo is ruxolitinibcrème. Dit is een lokale JAK-remmer die bepaalde ontstekingssignalen in de huid afremt, waaronder signalen die betrokken zijn bij de aanval op pigmentcellen. De behandeling lijkt vooral zinvol bij niet-segmentale vitiligo, en met name in zones waar nog voldoende pigmentcelreservoirs aanwezig zijn, zoals het gezicht. Bij segmentale vitiligo is het effect doorgaans beperkter, zeker wanneer de aandoening al langere tijd stabiel is en pigmentcellen in het aangedane gebied grotendeels verdwenen zijn. Bij snelle uitbreiding van vitiligo kan soms tijdelijk een systemische behandeling worden overwogen, bijvoorbeeld een korte corticosteroïdkuur of pulstherapie. Dat gebeurt vooral om de actieve ontsteking af te remmen, maar altijd na beoordeling door de dermatoloog.
De crèmes geven op zich weinig bijwerkingen. “Maar het gaat bij vitiligo wel om langdurig gebruik”, zegt Arno, “en dus kan op de lange termijn verdunning van de huid optreden. Hoewel we dit in de praktijk weinig zien, passen we om die reden toch wel het schema toe van twee weken dagelijks en dan twee weken pauze voor hersteltijd. Met dermatografie of medische tatoeage moet men voorzichtig zijn. Door de kleine huidtrauma’s bestaat er een risico op het Koebner-fenomeen, waarbij nieuwe vitiligovlekken kunnen ontstaan. Daarom is dit zeker niet voor elke patiënt geschikt en gebeurt dit best alleen na goede medische inschatting.”
Herken alargmsignalen
Tot slot is het belangrijk om alarmsignalen te herkennen. “Als vitiligo plots snel uitbreidt, of als er op korte tijd veel nieuwe plekken ontstaan, is verwijzing naar de dermatoloog aangewezen. Ook bij plotse depigmentatie bij een patiënt die behandeld wordt voor melanoom met checkpointremmers, moet men alert zijn. Die behandelingen activeren het immuunsysteem en kunnen vitiligo-achtige depigmentatie veroorzaken. Dat kan soms samengaan met een goede respons op de kankerbehandeling, maar het is belangrijk om dit correct te herkennen en te onderscheiden.”