Ga naar de inhoud
Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten
Martha van Santen (links) en Eveline Sikking (rechts)

Hoe wordt bepaald of een handeling als voorbehouden wordt aangemerkt?

“Wat als een voorbehouden handeling wordt aangemerkt, is wettelijk vastgelegd in artikel 36 van de Wet BIG. De wetgever hanteert hierbij drie criteria, gebaseerd op adviezen van de Gezondheidsraad:

  1. Aanmerkelijk gevaar: de handeling brengt een (te) groot risico met zich mee voor de gezondheid of het leven van de patiënt.
  2. Duidelijke afbakening: het moet gaan om een nauwkeurig te omschrijven medische ingreep.
  3. Reëel risico op ondeskundigheid: er is een kans dat de handeling in de praktijk wordt uitgevoerd door ondeskundigen waardoor patiënten beschermd moeten worden.”

Huidtherapeuten zijn niet zelfstandig bevoegd om voorbehouden handelingen uit te voeren. Onder welke voorwaarden mogen zij deze handelingen toch verrichten, bijvoorbeeld in opdracht van een arts?

“Een huidtherapeut kan wél een opdracht krijgen van bijvoorbeeld een in Nederland bevoegde arts om een voorbehouden handeling uit te voeren. Die arts moet dan wel hebben vastgesteld dat de huidtherapeut bekwaam is om de handeling uit te voeren. Ook moet de arts fysiek in de buurt zijn om aanwijzingen te kunnen geven, toezicht te houden en in te grijpen als dat nodig is (dat heet toezicht en tussenkomst). De arts blijft dan ook verantwoordelijk voor het uitvoeren van de voorbehouden handeling door de huidtherapeut. Dus als er iets niet goed gaat in de voorbehouden handeling die een huidtherapeut uitvoert, dan is de arts (ook bij de tuchtrechter) aansprakelijk.”

De Wet BIG maakt onderscheid tussen bevoegd en bekwaam. Bevoegdheid volgt uit de wet, maar hoe weet een zorgverlener of hij of zij ook bekwaam is om een voorbehouden handeling uit te voeren?

“Een zorgverlener is bekwaam als diegene:

  • kennis heeft over de handeling, de technieken, het doel, de anatomie, de risico’s, voor- en nazorg en eventuele complicaties
  • de handelingen en bijkomende activiteiten (zoals beslissen en informeren) goed uitvoert.

Een zorgverlener bepaalt of hij of zij bekwaam is door zichzelf kritisch af te vragen:

  • Heb ik voldoende theoretische kennis van de handeling?
  • Heb ik de praktische vaardigheden voldoende geoefend?
  • Heb ik recente ervaring met deze handeling?
  • Ken ik de risico’s, complicaties en weet ik hoe ik moet handelen als er iets misgaat?
  • Voel ik mij voldoende competent om de handeling veilig uit te voeren?

Daarnaast moet de opdrachtgever ook vaststellen dat de huidtherapeut bekwaam is en de huidtherapeut zelf moet zichzelf ook bekwaam achten.”

Bij het delegeren van een voorbehouden handeling hebben zowel de opdrachtgever als de uitvoerende huidtherapeut een eigen verantwoordelijkheid. Kunt u toelichten welke verantwoordelijkheden ieder van hen heeft?

“De opdrachtgever (arts in het voorbeeld van hierboven) en de opdrachtnemer (de huidtherapeut) hebben ieder een eigen verantwoordelijkheid. De arts blijft verantwoordelijk voor het uitvoeren van de voorbehouden handeling en moet vaststellen dat de huidtherapeut bekwaam is. De huidtherapeut heeft de verantwoordelijkheid voor het aanvaarden van de opdracht en de juiste uitvoering ervan. Dat wil zeggen dat de huidtherapeut zichzelf bekwaam vindt om de handeling uit te voeren, om goede zorg te verlenen en de opdrachtgever te betrekken indien dat nodig is.”

Hoe houdt de IGJ toezicht op de uitvoering van voorbehouden handelingen?

“De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg en dus ook of voorbehouden handelingen door bevoegde en bekwame zorgverleners worden uitgevoerd. Wanneer de IGJ een melding ontvangt over een situatie waarin een voorbehouden handeling is/wordt uitgevoerd door een niet bevoegde zorgverlener, kan zij onderzoek doen en ingrijpen als dat nodig is. Zij kan bijvoorbeeld een boete geven of, als het om een structurele situatie gaat die niet wordt hersteld, een aanwijzing of bevel geven om naleving van de wet- en regelgeving af te dwingen.

De IGJ kan ook meer thematisch onderzoek doen. Een voorbeeld hiervan is het recente onderzoek naar de uitvoering van ‘wet cupping’-behandelingen. We kregen de afgelopen jaren signalen die erop wezen dat beroepsmatige behandelaars van ‘wet cupping’ mogelijk niet de juiste bevoegdheid hadden. Daarom deden we proactief onderzoek naar deze alternatieve behandelvorm, waarbij de nadruk is gelegd op de bevoegdheid van zorgverleners om behandelingen met ‘wet cupping’ uit te voeren. We constateerden dat geen van de bezochte aanbieders de benodigde bevoegdheid had voor het uitvoeren van de voorbehouden handeling die wordt toegepast bij ‘wet cupping’. Een belangrijke oorzaak hiervan lijkt onbekendheid met de wet- en regelgeving. Vanwege de risico’s die de voorbehouden handeling bij ‘wet cupping’ met zich brengt, moeten aanbieders zich beter informeren over de regels die gelden voor het uitvoeren ervan en daarnaar handelen. We hebben hier daarom ook over gepubliceerd.”

Advertentie
Laden...